Autismespectrumstoornis
Hoewel alle mensen met autisme verschillend en uniek zijn, hebben ze een aantal belangrijke kenmerken gemeenschappelijk zoals moeilijkheden bij sociaal contact. Deze kenmerken kunnen zich echter op een heel verscheiden manier uiten. Zo zal de aard en ernst van bepaalde moeilijkheden ook verschillen van persoon tot persoon. Daarom spreken we van een autismespectrumstoornis (ASS). Dit is de officiële benaming, maar voor de vlotte leesbaarheid hebben we ervoor gekozen om hier over autisme te spreken.
Eén van de domeinen waarbij mensen met autisme moeilijkheden ervaren, is de informatieverwerking. De informatie of prikkels die we binnenkrijgen via de zintuigen, moeten eerst verwerkt worden in de hersenen (= ‘prikkelverwerking’). Vervolgens wordt een betekenis gegeven aan deze prikkels door de informatie te koppelen aan reeds aanwezige kennis, herinneringen, gevoelens… (= ‘betekeningsverlening’). Bij kinderen met autisme verlopen beide processen anders. Op vlak van de prikkelverwerking is het voornamelijk de selectie van prikkels die anders verloopt. Prikkels komen vaak sterker of minder sterk binnen waardoor kinderen met autisme over- of ondergevoelig kunnen zijn voor bepaalde prikkels. Op vlak van de betekenisverlening ervaren kinderen met autisme moeilijkheden om de juiste betekenis te geven aan deze prikkels. Dit heeft een effect op de communicatie, het omgaan met anderen en de verbeelding.
Wat de omgang met anderen en met communicatie betreft, is het niet zo dat mensen met autisme niet communiceren of dat interactie afwezig is. Wel is er sprake van een andere kwaliteit van sociaal contact en communiceren. Het is bijvoorbeeld mogelijk dat mensen met autisme contact zoeken met anderen, maar dat de manier waarop ze dit doen als vreemd of ongepast wordt ervaren. Dit is een voorbeeld van moeilijkheden die zich op expressief vlak situeren (= het uiten van taal en gevoelens).
Daarnaast ervaren ze vaak moeilijkheden op receptief vlak (= het begrijpen van taal en gevoelens). Voor kinderen met autisme is het soms moeilijk om te begrijpen wat anderen bedoelen, om zich in te leven in anderen en om de sociale regels af te leiden die voor ons eerder vanzelfsprekend zijn. Omdat ze de gevoelens, gedachten en bedoelingen van anderen moeilijk kunnen inschatten, is het voor hen niet vanzelfsprekend om hun gedrag en communicatie af te stemmen op anderen en de context waarin ze zich bevinden. Hierdoor ontstaan vaak moeilijkheden in de omgang met anderen.
Daarnaast zien we bij kinderen met autisme ook vaak moeilijkheden op vlak van verbeelding. Doorgaans wordt hierbij gedacht aan de afwezigheid van fantasiespel, maar in realiteit gaat het veel verder dan dat. Mensen met autisme vinden het algemeen moeilijker om zich iets voor te stellen bij iets dat niet tastbaar aanwezig is. Dit betekent ook het kunnen zien van ‘wat zou kunnen zijn’ en het zien van ‘mogelijkheden’. Het is alom gekend dat mensen met autisme een grote nood hebben aan voorspelbaarheid, een nood die voortkomt uit de moeilijkheden die ze ervaren met 'het zich verbeelden van wat in de toekomst nog moet komen'. Om deze onzekerheid op te vangen en de spanningen die hiermee gepaard gaan te verlagen, stellen kinderen met autisme vaak 101 vragen over het hoe, waarom, wanneer, met wie, etc.
Weerstand tegen verandering, stereotiepe gedragingen en rituelen, beperkte interesses en activiteiten zijn eveneens het gevolg van een gebrekkig verbeeldingsvermogen. Een specifiek voorbeeld is het moeilijk kunnen maken van keuzes (bv. “waarmee wil je spelen?”). Dit veronderstelt namelijk dat het kind zich de keuzemogelijkheden in gedachten kan voorstellen. En als dit nu net moeilijk voor je is, dan grijp je terug naar de dingen die je op dat moment kan horen, zien, voelen... Kinderen met autisme hebben dus vaak moeite om verder te gaan dan wat zich concreet en direct aan de zintuigen aanbiedt. Ze verkiezen daarom vaak dezelfde spelletjes, dezelfde materialen, en dezelfde vertrouwde en veilige situaties.
Als we deze moeite met verbeelding vertalen naar het sociaal vlak, dan begrijpen we beter dat mensen met autisme zich moeilijk de bedoelingen achter het gedrag van iemand anders kunnen voorstellen. Figuurlijk taalgebruik (bv. sarcasme, humor, gezegdes) zijn voor hen moeilijker om te interpreteren. Taal wordt vaak letterlijk opgevat en de ‘boodschap achter de boodschap’ wordt hierdoor soms niet begrepen.
Samenvattend kunnen we stellen dat bij alle kinderen met autisme er sprake is van een informatieverwerking die anders verloopt dan bij kinderen zonder autisme. Met deze andere manier van informatie verwerken gaan zowel moeilijkheden als sterktes gepaard. Elk kind met autisme is echter uniek, net zoals kinderen zonder autisme. Anders gezegd, ieder kind met autisme heeft een unieke combinatie van moeilijkheden en sterktes. Om deze reden wordt er niet langer gesproken van ‘autisme’, maar wel van een ‘autismespectrumstoornis’. Autisme wordt namelijk gekenmerkt door een grote verscheidenheid of een breed spectrum aan kenmerken, zowel qua aard als intensiteit.
Hierdoor zijn alle kinderen met autisme verschillend. Hét autistische kind bestaat niet. De aard en ernst van de moeilijkheden zijn voor ieder kind anders. Ook het karakter van het kind en de omgeving waarin het kind opgroeit, dragen bij tot de eigenheid van het kind. Hoe autisme tot uiting komt wordt ook gekleurd door leeftijd en intelligentie. Zo zijn oudere kinderen en/of kinderen met een hogere intelligentie vaak beter in staat om bepaalde moeilijkheden te compenseren. Dit betekent dat ze soms oplossingsstrategieën hebben ontwikkeld voor situaties waar ze het moeilijk mee hebben. We zien vaak dat de kenmerken van autisme evolueren naarmate een kind zich ontwikkelt. Bijgevolg is het belangrijk om bij elk kind met autisme op zoek gegaan naar zijn/haar unieke mogelijkheden en beperkingen en dit beeld bij te stellen doorheen de ontwikkeling.