EXECUTIEVE FUNCTIES
Executieve functies is een verzamelterm voor denkprocessen die belangrijk zijn voor het uitvoeren van sociaal en doelgericht gedrag. Smidts en Huizinga (2011) vergelijken de executieve functies met de dirigent van een orkest. Hij geeft de maat aan en zorgt ervoor dat de verschillende orkestleden op het juiste moment beginnen en stoppen met spelen. Doordat de dirigent overzicht heeft, is het resultaat een goed op elkaar afgestemd geheel en kan je een mooi muziekstuk horen. Zonder executieve functies bestaat er geen samenwerking tussen verschillende vaardigheden, waardoor goed georganiseerd gedrag niet mogelijk is.
Executieve functies zijn onbewuste denkprocessen waarmee we ons gedrag, gedachten en emoties aanpassen en sturen. Deze zorgen voor onze zelfsturing, zodat we doelgericht en sociaal gedrag stellen. Het zijn als het ware onze schakels tussen het willen en het effectief doen. Deze functies worden geregeld in de hersenen. In een gedeelte van de hersenen bedenken we dingen als: waar wil ik naartoe, wat moet er eerst gebeuren en wat komt er daarna, hoe stel ik me flexibel op om mijn plannen daadwerkelijk uit te voeren en hoe voer ik ze concreet uit. De executieve functies zijn pas volledig ontwikkeld na de puberteit.
Executieve functies zorgen er onder meer voor dat we nadenken voordat we iets doen, dit heten we responsinhibitie. We schatten op voorhand in wat de gevolgen zijn van wat we willen doen, waardoor we ons gedrag onder controle houden (bv. we lopen niet impulsief achter onze bal wanneer die over de straat rolt).
Een ander aspect van de executieve functies is flexibiliteit. Iemand die flexibel is, kan zich aanpassen aan een veranderende omgeving (bv. veranderende situaties, regels, routines…). Doorheen de dag wordt er voortdurend gewisseld tussen situaties (bv. overgang van de speelplaats naar de klas). Bij een tekort aan flexibel handelen, wordt het gedrag niet altijd tijdig aangepast aan de nieuwe situatie (bv. nog luidruchtig zijn wanneer de speeltijd gedaan is).
Een derde luik van executieve functies is het werkgeheugen. Het werkgeheugen zorgt voor de korte termijn opslag en verwerking van alle informatie die we nodig hebben om een bepaalde taak tot een goed einde te brengen (bv. de verschillende stappen van een rekensom bij hoofdrekenen). Het is een tijdelijke opslagplaats in de hersenen. Als je het kind meerdere opdrachten geeft, worden deze in het werkgeheugen vastgehouden tot ze allemaal volbracht zijn.
Executief functioneren betekent ook plannen en organiseren. We plannen vooraleer we zelf kunnen beginnen aan een taak of opdracht. Dit creëert overzicht om een taak, opdracht, probleem aan te pakken. Door te plannen, beantwoorden we vragen zoals “Wat heb ik nodig?” “Waarmee begin ik het best?” “Hoeveel tijd heb ik hiervoor nodig?”. Daarnaast is ook organiseren belangrijk. Kinderen waarbij de executieve functie organiseren minder aanwezig is, kunnen moeilijk het overzicht behouden. Ze hebben moeite met het ordenen en structureren van de omgeving (bv. spullen snel kwijt raken, tussenstappen vergeten…).
De emotieregulatie is het vermogen om te reguleren hoe je emoties ervaart en uitdrukt om een bepaalde resultaat te bekomen (bv. een doel realiseren, een taak voltooien). Zo zullen mensen bijvoorbeeld reguleren hoe ze boosheid uiten om sociale relaties met anderen niet te schaden. Kinderen die moeite hebben met emotieregulatie, zullen bijvoorbeeld heftig reageren op ‘kleine’ problemen zoals verliezen bij een gezelschapsspel.
Vervolgens zijn ook taakinitiatie, volgehouden aandacht en doelgericht gedrag executieve functies. Taakinitiatie verwijst naar het vermogen om tijdig en op efficiënte manier aan een taak te beginnen of over te gaan naar een andere activiteit. Wanneer er een gebrek aan taakinitiatie is, zien we vaak uitstelgedrag (bv. moeilijk kunnen stoppen met spelen om in de douche gaan, te komen eten…). Door volgehouden aandacht blijven we gefocust op een bepaald doel zonder vaak afgeleid te raken (bv. een kind dat het moeilijk heeft om dingen af te werken). Via doelgericht gedrag kan het kind doelen stellen en zichzelf blijven motiveren om het doel te bereiken (bv. leren fietsen zonder wieltjes).
Je kunt de bovengenoemde functies beschouwen als een mengpaneel, waarbij verschillende schuifjes staan voor de verschillende functies. Deze staan bij iedereen anders afgesteld: zo is de ene persoon nu eenmaal beter in plannen dan de ander. De ander is dan weer beter in emotieregulatie. Op die manier heb je oneindig veel variaties van mogelijkheden waarin kinderen met problemen met executieve functies zwakker of beter zijn. Belangrijk om te weten is dat bepaalde executieve functies mogelijks in mindere mate aanwezig zijn, maar ze zullen nooit helemaal ontbreken. Er is altijd een startpunt om verder te gaan. De ene executieve functie zal ook beter ontwikkeld zijn dan de andere. Een goede hulp kan zijn om de zwakkere executieve functie te compenseren met een functie die wel sterk aanwezig is. Het onderkennen van je eigen zwakke en sterke executieve functie(s) is essentieel. Dit zorgt ervoor dat je zelf tools of hulpmiddelen kan zoeken of net op zoek kan gaan naar hulp bij anderen.