Theory of mind
'Theory of mind’ is het vermogen om zich een beeld te vormen van het innerlijk van jezelf en de ander. Concreet gaat het om het besef dat mensen ook een innerlijke leefwereld hebben die niet onmiddellijk waarneembaar is, maar afgeleid moeten worden. We denken hierbij aan gevoelens, wensen, intenties, meningen, kennis… Ook het besef dat de innerlijke leefwereld van de ander kan verschillen van die van jezelf maakt hier deel van uit. Bij kinderen met autisme ontwikkelt deze vaardigheid zich vertraagd of onvoldoende.
De problemen op vlak van ‘theory of mind’ situeren zich op drie ontwikkelingsniveaus.
Op het eerste niveau stellen we bij kinderen met autisme moeilijkheden vast op vlak van zelfinzicht. Ze hebben weinig inzicht in hun eigen gedachten, gevoelens en wensen. Meer specifiek hebben ze moeite om gevoelens bij zichzelf te herkennen, te uiten en te verwoorden.
Bijgevolg voelen kinderen met autisme vaak niet aan wanneer ze over hun grenzen gaan. Zo kunnen ze doorheen een dag overvraagd worden door alle prikkels en veranderingen die op hen af komen, maar herkennen ze dit niet bij zichzelf. Als ze dit wel herkennen, volgt de uitdaging om te bedenken wat ze hieraan kunnen doen. Het is voor kinderen met autisme zeker niet vanzelfsprekend om zelf tot oplossingen te komen, zoals zich even afzonderen of om hulp vragen.
Op het tweede niveau zien we dat kinderen met autisme zich moeilijk kunnen verplaatsen of inleven in de ander. Ze kunnen zich ook moeilijker voorstellen dat andere mensen andere gedachten en gevoelens kunnen hebben dan zijzelf. Het afleiden van gedachten en gevoelens van anderen is niet evident. Je moet rekening houden met wat de persoon zegt, met de lichaamstaal en gezichtsuitdrukking van de persoon, met de context... Deze informatie moet vervolgens verwerkt en geïnterpreteerd worden. Voor mensen met autisme brengt dit heel wat hindernissen met zich mee. Ze zijn zeer detailgericht, waardoor het integreren van informatie tot één geheel moeilijk gaat. Het koppelen van wat je zegt aan hoe je het zegt is bijgevolg niet vanzelfsprekend en dit wordt vaak als twee verschillende dingen beschouwd. Ook verschillende delen van een gezicht worden niet altijd als één betekenisvolle gelaatsuitdrukking gezien, waardoor het aflezen van emoties moeilijk is. Daarnaast hebben mensen met autisme tekorten op vlak van verbeelding. Het is dan ook voor kinderen met autisme niet eenvoudig om zich iets voor te stellen dat niet concreet en tastbaar is (zoals gevoelens en gedachten).
Omdat kinderen met autisme zich moeilijk in anderen kunnen verplaatsen, denken ze vaker vanuit hun eigen ik en hun eigen behoeften. Dit wil niet zeggen dat ze de behoeften van anderen minder belangrijk vinden, maar het is voor hen moeilijker om hier zicht op te krijgen en hier rekening mee te houden. Door hun gebrek aan inleving hebben ze ook niet altijd zicht op de bedoelingen van anderen, wat hen erg kwetsbaar kan maken.
Het is zeker niet zo dat het voor alle kinderen met autisme onmogelijk is om zich in te leven in de gevoelens, gedachten of ideeën van anderen. Dit is mede afhankelijk van de context, van de ernst en aard van het autisme en van de intelligentie van het kind. Sommige kinderen met autisme slagen er wel in om alle informatie te integreren, maar dit kost tijd terwijl in sociale interacties net verwacht wordt dat je snel reageert. Daarnaast merken we dat het voor kinderen met autisme makkelijker is om zich in te leven in een ander als het over iets gaat dat ze bij zichzelf herkennen.
Naast het inzicht in de beleving van anderen is het van belang om hier ook gepast op te reageren. Zo kan een kind met autisme misschien wel doorhebben dat iemand verdrietig is, maar er vervolgens niets mee doen of ongepast reageren omdat het voor hem niet duidelijk is wat troosten nu eigenlijk juist inhoudt. Door steeds meer ervaringen in situaties op te doen, leren kinderen met autisme steeds beter met dit soort situaties omgaan, maar het zal nooit een volledig en vanzelfsprekend onderdeel van hun persoonlijkheid worden. Terwijl mensen zonder autisme vaak aanvoelen hoe ze moeten reageren, is dit voor mensen met autisme vaker een kwestie van aanleren.
Tot slot zien we op het derde niveau dat mensen met autisme vaker een beperkter zicht hebben op de invloed van hun eigen gedrag op de gedachten, gevoelens en het gedrag van anderen. Het inzicht in de innerlijke leefwereld van anderen is beperkt en zo ook hoe hun eigen gedrag deze innerlijke leefwereld van anderen beïnvloedt. Het is dan ook moeilijk voor mensen met autisme om vooruit te denken als het gaat over mogelijke gevolgen van hun gedrag. Kinderen met autisme handelen hierdoor vaker vanuit hun eigen perspectief en minder vaak vanuit de mogelijke gevolgen die hun gedrag met zich mee zouden kunnen brengen.
De ontwikkeling van ‘theory of mind’ verloopt vaak vertraagd, wat betekent dat naarmate kinderen ouder worden het inlevingsvermogen verder evolueert. Dit blijft echter afhankelijk van o.a. de ernst/aard van het autisme en de intelligentie van het kind, waardoor er veel verschillen zijn tussen kinderen met autisme onderling. Sommige kinderen zullen het hier op latere leeftijd moeilijker mee blijven hebben dan anderen.